|
Lieten we hier geen afdruk achter, in het gras?
Hoor ik je stem die nog brak om het andere woord?
Er was toch een zomer die ons zag, een maan
die zich herinnert dat ik een steen opdook, een steen
uit de rivier, die ik op je huid legde: Van mij.
Je penseelde mijn dijen met klei: Geschreven staat het.
De diesels voeren langs, de stampende motoren leidden.
Lichaam lichaam lichaam lichaam. Eerste eeuwigheid.
Waaruit we vertrokken, de bergen in of richting Rotterdam.
Ik ben er weer. Zoek naar de ankerplaats. Mijn
boot heeft heimwee, mijn lichaam wil naar huis,
afmeren in de tijd en hier opnieuw aan wal. En blijven. |